Mijn antwoord daarop is nee.
En dat antwoord vraagt om uitleg, want wie mij kent weet dat ik juist een groot voorstander ben van natuurlijke huisvesting, van meer beweging, meer keuzevrijheid, meer buitenruimte, meer ruwvoer, meer landschappelijke kwaliteit en meer aandacht voor het natuurlijke gedrag van paarden.
Waarom natuurlijke huisvesting zoveel kan toevoegen
Ik geloof in erven waar paarden niet alleen worden gehouden, maar waar de inrichting van het erf, het landschap, de bodem, het groen, het water, de routes, de zichtlijnen en de dagelijkse verzorging samenkomen in een systeem dat klopt. Een systeem waarin paarden kunnen bewegen, kunnen kiezen, kunnen rusten, kunnen schuilen en waarin het bedrijf niet losstaat van het landschap, maar daar weer onderdeel van wordt.
Natuurlijke huisvesting kan enorm veel toevoegen. Voor het dierenwelzijn. Voor biodiversiteit. Voor het terugbrengen van landschapselementen. Voor de groenblauwe dooradering. Voor het herstel van het cultuurlandschap dat op veel plekken in Nederland de afgelopen decennia behoorlijk is uitgekleed. Houtwallen, singels, hagen, poelen, kruidenrijke randen, schaduwplekken, natuurlijke beschutting en slimme erfstructuren kunnen een paardenbedrijf sterker maken dan alleen functioneel.
Waarom één norm niet past bij de paardensector
Alleen betekent dat nog niet dat natuurlijke huisvesting de nieuwe norm moet worden voor de hele paardensector.
Daar zit voor mij precies de nuance die in de discussie vaak ontbreekt.
Want de paardensector bestaat niet uit één soort bedrijf, één soort paard en één soort gebruik. Wij komen bij Mount Advies op kleine particuliere erven, bij pensionstallen, op fokbedrijven, bij opfoklocaties, bij handelsstallen, bij internationale sportstallen, bij hengstenhouders en bij bedrijven waar paarden een paar maanden per jaar in Nederland zijn en vervolgens weer op transport gaan naar internationale wedstrijden, klanten, keuringen of nieuwe eigenaren.
Wie voor al die bedrijven één huisvestingsnorm wil opleggen, kijkt te weinig naar de praktijk.
Bij veel particuliere paardenhouders en bij sommige bedrijven kan natuurlijke huisvesting heel goed werken. Zeker wanneer er voldoende ruimte is, wanneer de groep stabiel is, wanneer de paarden goed begeleid worden, wanneer er voldoende voerplekken zijn, wanneer de looplijnen kloppen, wanneer de ondergrond op orde is, wanneer er schaduw en beschutting is en wanneer er bij de inrichting is nagedacht over rust, veiligheid en overzicht.
Dan kan een paddock paradise, een track-systeem, een combinatie van stal, paddock, weide en verharding of een vorm van groepshuisvesting echt een verbetering zijn.
Maar wij zien ook de andere kant.
De kwetsbaarheid van groepshuisvesting op pensionstallen
Bij pensionstallen wordt natuurlijke huisvesting op dit moment steeds vaker als ideaalbeeld neergezet. Veel ondernemers denken erover na. Soms vanuit overtuiging. Soms omdat klanten erom vragen. Soms omdat de maatschappelijke druk toeneemt. En soms omdat er vanuit bepaalde groepen bijna wordt gezegd dat ieder paard 24 uur per dag buiten en in een kudde moet staan.
Daar begint het ingewikkeld te worden.
Een pensionstal heeft zelden een vaste, stabiele kudde. Er vertrekken paarden. Er komen paarden bij. Er zijn nieuwe combinaties. Er zijn paarden die tijdelijk op rust moeten. Er zijn paarden die herstellen van een blessure. Er zijn oudere paarden, jonge paarden, dominante paarden, onzekere paarden, paarden met trauma, paarden met medische beperkingen en paarden die helemaal niet goed functioneren in een groep waar regelmatig wisselingen plaatsvinden.
Een kudde die voortdurend verandert, is geen rustige kudde.
Een onrustige kudde is geen welzijnsverbetering
Iedere introductie geeft spanning. Iedere rangordewisseling geeft onrust. Iedere nieuwe combinatie vraagt begeleiding. En wanneer de faciliteiten daar niet op ingericht zijn, wanneer er geen goede separatiemogelijkheden zijn, wanneer er onvoldoende ruimte is om uit te wijken, wanneer voerplekken te dicht op elkaar liggen, wanneer de doorgangen te smal zijn of wanneer paarden elkaar niet kunnen ontwijken, ontstaat er stress.
En juist dat is schadelijk voor het dierenwelzijn.
Dan wordt natuurlijke huisvesting een systeem dat op papier goed klinkt, maar in de praktijk voorbijgaat aan het paard dat erin moet leven. Een paard dat voortdurend alert is. Een paard dat niet bij het voer durft. Een paard dat niet durft te liggen. Een paard dat wordt weggejaagd. Een paard dat niet past in de groep. Een paard dat wordt gedwongen om sociaal te functioneren in een situatie die voor hem helemaal niet veilig voelt.
Dat is geen verbetering.
Daarmee gaat het doel van natuurlijke huisvesting verloren.
Wat mij in de discussie soms zorgen baart, is dat de groepen die het hardst roepen dat paarden altijd buiten en altijd in een kudde moeten staan, vaak weinig ruimte laten voor de praktijk van andere paardenbedrijven. De intentie kan goed zijn, maar wanneer die visie wordt vertaald naar één algemene norm, zonder rekening te houden met bedrijfstype, gebruik, veiligheid, gezondheid, sport, fokkerij, quarantaine, leeftijd, karakter en individuele behoefte, dan wordt het gevaarlijk voor de sector.
Niet ieder paard is geschikt om 24 uur buiten te staan. Niet ieder paard is geschikt om in een kudde te staan. Niet iedere bedrijfsvorm leent zich voor groepshuisvesting. En ja, we kunnen daar als mensen van alles van vinden, we kunnen zeggen dat wij paarden zo hebben gefokt, zo hebben gehouden of zo hebben gebruikt dat zij niet meer volledig passen in een natuurlijk systeem, maar dat maakt de realiteit van vandaag niet minder waar.
Internationale sportstallen werken vanuit een andere realiteit
In de internationale sport is die realiteit nog complexer.
Nederland heeft een enorme positie in de internationale paardensport en paardenhandel. Zeker in de springsport zijn er bedrijven waar paarden komen en gaan, waar paarden op concours gaan, waar paarden worden verkocht, waar nieuwe paarden worden aangekocht, waar jonge paarden worden opgeleid en waar internationale klanten op ieder moment kunnen instappen.
Ik heb klanten die maanden per jaar op internationale wedstrijden zijn. Zij vertrekken met paarden naar het buitenland, vliegen met paarden naar Amerika, komen terug met andere paarden, omdat er paarden verkocht zijn en nieuwe paarden zijn aangekocht. Paarden gaan naar concours, naar testen, naar veterinaire controles, naar quarantaine, naar nieuwe ruiters en soms naar een compleet ander continent.
Dat systeem past niet vanzelfsprekend in een vaste kuddestructuur.
Wanneer een paard uit een groep wordt gehaald voor een internationale wedstrijd, daarna in quarantaine moet, vervolgens terugkomt en opnieuw moet worden geïntroduceerd, geeft dat onrust. In sommige landen gaat het om een paar dagen quarantaine, in andere situaties om een week en in bepaalde trajecten om veel langere periodes. Voor een natuurlijk huisvestingssysteem dat afhankelijk is van stabiliteit, rust en vaste sociale verbanden, is dat een ingewikkelde factor.
Hengstenhouderij, fokkerij en veiligheid
Bij hengstenhouders speelt weer iets anders.
We kunnen heel veel willen met natuurlijke huisvesting en groepsdynamiek, maar hengsten bij elkaar zetten is op veel Nederlandse bedrijven geen reële optie. Daar spelen veiligheid, waarde, gedrag, risico, aansprakelijkheid en dagelijkse bedrijfsvoering een veel te grote rol. Bij grote fokbedrijven en hengstenhouderijen kun je zeker nadenken over verbetering van de huisvesting, over meer beweging, betere uitloop, meer zichtcontact, meer verrijking, meer rust in het erf en betere landschappelijke inpassing, maar een algemene norm dat ook deze paarden in natuurlijke kuddes moeten worden gehouden, sluit niet aan bij de praktijk.
Dat betekent niet dat traditionele huisvesting heilig is.
Ik vind ook dat we kritisch mogen kijken naar paarden die 23 uur per dag op stal staan, naar bedrijven waar weinig buitenruimte is, naar erven zonder schaduw, naar paddocks zonder beschutting, naar kale zandvlaktes, naar paarden die nauwelijks kunnen bewegen en naar ontwerpen waarin vooral is nagedacht over logistiek voor de mens en te weinig over het paard.
Wat mijn eigen paarden mij hebben geleerd
Twintig jaar geleden stonden mijn eigen paarden ook heel anders. Ze stonden veel meer op stal, kwamen in het weekend in de wei en ik ging ’s ochtends wandelen en ’s avonds rijden. Dat was toen voor mij normaal. Inmiddels kijk ik daar anders naar.
Nu hebben mijn paarden thuis keuzevrijheid. Ze kunnen zelf kiezen of ze op de verharde paddock staan, op de zandpaddock, op het galoppad langs de bak, in de wei of op stal. Die keuze ligt bij hen. En juist dat heeft mij veel geleerd. Onze laatste gefokte merrie heeft vijf jaar in de opfok gestaan, omdat zij die rust en ontwikkeling nodig had. Zij stond vijf jaar lang dag en nacht buiten, in de wei, en alleen bij extreem weer konden de paarden naar de schuilstal. Toen zij bij ons thuis kwam, kreeg zij vanaf dag één toegang tot de wei, paddocks, het galoppad, de verharding en de stal.
En wat kiest zij?
Zij kiest er heel bewust voor om hele dagen en uren op stal te staan.
De andere paarden willen liever buiten zijn, maar willen ook bij haar blijven. Dus die gaan buiten in de paddock staan wachten tot zij beslist dat ze weer naar buiten gaat. Dat is voor mij een mooi voorbeeld van hoe individueel paarden zijn. Het ene paard zoekt openheid. Het andere paard zoekt beschutting. Het ene paard wil overzicht. Het andere paard wil juist rust en begrenzing. Het ene paard floreert in een groep. Het andere paard functioneert beter met meer afstand.
Bij Mount Advies ontwerpen we niet vanuit een ideaalbeeld
Daarom kijken wij bij Mount Advies niet vanuit één ideaalmodel naar een erf.
Wij kijken per bedrijf wat past. Bij het paard. Bij de ondernemer. Bij het landschap. Bij de vergunningen. Bij de bodem. Bij de dagelijkse bedrijfsvoering. Bij de risico’s. Bij de toekomst van het bedrijf. Wat wij vooral proberen, is stress uit het ontwerp halen.
Dat klinkt misschien eenvoudig, maar dat is het niet. Stress zit in veel meer dan alleen stal of buitenruimte. Stress zit in te smalle doorgangen. In voerplekken waar paarden elkaar klemzetten. In hoeken waar een paard niet weg kan. In zichtlijnen waardoor paarden steeds geprikkeld worden. In open vlaktes waar gevoelige paarden zich onveilig voelen. In gebrek aan schaduw. In windhoeken. In gladde verharding. In modder. In te veel prikkels vanaf een weg. In verkeerd geplaatste beplanting. In een route waar mens, machine en paard elkaar steeds kruisen.
Soms kiezen we juist voor meer openheid. Soms voor meer beslotenheid. Soms voor beplanting die zicht wegneemt. Soms juist niet. Soms is een houtwal goed. Soms geeft die op de verkeerde plek onrust. Soms is een kruidenrijke rand waardevol. Soms moet je eerst kijken naar giftige soorten, beheer, vraatdruk en veiligheid. Zelfs plantkeuzes kunnen invloed hebben op hoe paarden een plek ervaren.
Maatwerk in huisvesting is de echte nieuwe norm
Daarom geloof ik niet in natuurlijke huisvesting als nieuwe algemene norm. Ik geloof wel in betere huisvesting als noodzakelijke ontwikkeling. Ik geloof in meer keuzevrijheid waar dat kan. In meer beweging waar dat past. In meer landschappelijke kwaliteit waar dat mogelijk is. In betere ontwerpen. In meer kennis. In minder standaardoplossingen. In het serieus nemen van stress, veiligheid, gedrag en bedrijfstype. In plannen die juridisch, praktisch, landschappelijk en bedrijfsmatig kloppen.
De toekomst van de paardensector zit voor mij niet in het vervangen van de ene norm door de andere.
De toekomst zit in maatwerk.
In ontwerpen die recht doen aan het individuele paard en aan de werkelijkheid van het bedrijf waar dat paard staat.